De nacht, daar spreken we niet van. De nacht begint nu waar vroeger de vooravond zich aanbood. Het is al donker nog voor de afwas gedaan is, zeg nu zelf, dat is geen nacht.
Het ging lukken deze keer. Er gingen mensen zijn die ik niet ken, dat wel, maar ook mensen die ik wel ken. Genoeg om ervoor te zorgen dat ik zou gaan. Dus ik ging. Ik keek er zelfs naar uit.
Er is geen nacht meer, maar er is ook geen echte dag meer. De zon hangt te laag zodat ze pijn doet aan de ogen wanneer je niet naar beneden kijkt. Dus kijkt iedereen naar beneden en ziet niemand nog dat het dag is.
Ik zou zijn zoals normale mensen zijn. Ik zou een cadeautje kopen voor de gastheer, of toch minstens bijdragen tot, en ik zou m'n mooiste hemd uitzoeken en het snel nog even strijken vooraleer het aan te trekken. Ik deed alles zoals het hoorde. Ik deed alsof.
De mensen gedragen zich anders nu er geen nacht meer is. Schichtiger, lijkt het. De gewoonte om wanneer het nacht wordt dronken te zijn en het collectieve bewustzijn te laten primeren op de rede, raakt verstrooid. Het instinct verward, de geijkte patronen overstuur, stuwen ze de uren in een losbandige stroomversnelling. De muziek moet luider, er moet gedanst, er moet gedronken, geroepen, gedronken, gedanst, vergeten, geroepen, gedronken, geleefd (gelééfd?), gevreeën, niet gevreeën: geneukt, worden. En die muziek moet luider. Luider, luider, luider.
Ik deed alsof en deed dat wonderwel. Ik zat in m'n mooiste hemd en schreef m'n naam bij op het cadeautje zodat geweten was dat ook dit uit mijn hart kon komen. Ik dronk wat, praatte even. "Kijk, de mensen lachen, zelfs die paar die je niet kent." En klapte dan dicht toen het doen alsof op was en ik niets meer had. Het feest ging verder, dat zag ik gebeuren. Ik stond aan de rand van het feest. Er werd geleefd terwijl ik niet bestond. Ik greep een flauw excuus om weg te geraken, om te ontsnappen uit de gevangenis van mijn hoofd. Twee uur heb ik het volgehouden. Toen ik weer thuiskwam, kreeg ik een angstaanval als welkomstcadeau. En de dag erop weer. En weer. Tot ik me niet meer kon bewegen. Tot ik niet meer wou denken. Het doen alsof is op. Het spijt mij.
En zet die godverdomse muziek nu toch eens gewoon óp, man.