Mijn grootste spijt zal zijn, mijn grootste spijt is, dat ik nooit geleefd heb.
Ik ben een reflectie in een raam, stilstaand op een tweedimensioneel vlak terwijl achter mij de echte wereld een kluwen vormt van vervagende schimmen die even snel uit het zicht verdwijnen als ze verschenen zijn en voor mij de illusie van geprefabriceerd geluk tentoon wordt gespreid, grijpensklaar voor wie het zich kan veroorloven. Ik kan het mij niet veroorloven. Ik ben onzichtbaar.
Wanneer alles tot zijn einde komt en de balans moet worden opgemaakt, zal ik niets kunnen zeggen om de rechters te paaien. Ik zal niet zwijgen, maar ik zal niets kunnen zeggen. Ik zal de onzin hekelen van het bestaan, de nutteloosheid van de liefde in de wetenschap dat de tijd die we krijgen om ons eraan over te geven zo beperkt is. Ik zal de absurditeit van het verlangen aanklagen en zieden over de oneerlijkheid ervan. Als ze mij vragen wat het dan is dat ik verwachtte, zal ik net dat in hun knokige gezichten teruggooien.
"Ik verwachtte te ontvangen wat ik de anderen zag krijgen," zal ik schreeuwen, "ik verwachtte behandeld te worden zoals de anderen behandeld werden. Ben ik onredelijk geweest dan? Heb ik iets gewild dat u niet zelf zou gewenst hebben, mocht u in mijn plaats geweest zijn? Ik heb nooit anders dan naar één enkel ding gestreefd, het ideaal van de volstrekte normaliteit en van de aanvaarding. Ik heb nooit roem gewild, ik ben nooit op macht of buitensporig geldgewin uitgeweest. Wat heb ik dan gedaan dat zo verkeerd was dat ik hier nu terecht sta? Wie bent u om mij nu daarvoor te veroordelen?"
Het is op dat moment dat het mij zal dagen. Het is net het ambiëren van roem, macht en rijkdom dat normaal en aanvaardbaar geworden is. Het is de zoektocht naar al het andere die men verborgen dient te houden. Wie naar de liefde zoekt, daar wordt naar gewezen en over gefluisterd dat hij niet normaal is, want de liefde krijgt toch iedereen. De rechters zullen naar mij kijken, naar de levende dode die voor hen staat zijn onschuld steeds stiller uit te krijsen en die zijn verdediging ziet afbrokkelen. Ze zullen zien dat het besef is ingezonken.
De straf voor het zoeken naar de liefde is niet dat van zodra je denkt ze gevonden te hebben, ze wordt weggekaapt door iemand die er niet naar op zoek was. Iemand die zich van geen kwaad bewust is. Iemand onschuldig. De echte straf begint dan pas. Het is de weigering om te het verlies van de liefde te accepteren, de onmogelijkheid om los te laten wat nooit van jou is. De echte straf is dat het zoeken overgaat in ijdel hopen, de geest opgesloten in een labyrinth van illusies en zelfbedrog.
"Vel uw oordeel, ik zal mij schikken. Maar neem de liefde van mij weg, dat ik niet meer moet verdragen wat ik niet bevatten kan."
Mijn grootste spijt zal zijn, mijn grootste spijt is, dat ik nooit geliefd was. Maar troost u, ik zal het niet voelen als de barstjes in het raam groter worden en het glas zonder waarschuwing plots in een fontein van scherven uit elkaar spat.
Ik ben onzichtbaar, hoe graag ik u zelf ook zie. Ik tast in het rond, maar ik voel u nergens. Mijn verstand is weg, maar ik kan enkel aan u denken.
"Neem de liefde van mij weg, en gooi mij in uw vlammen."