dinsdag 30 augustus 2011

Il y a l'amour. Et puis il y a la vie, son ennemie.

Mijn grootste spijt zal zijn, mijn grootste spijt is, dat ik nooit geleefd heb.

Ik ben een reflectie in een raam, stilstaand op een tweedimensioneel vlak terwijl achter mij de echte wereld een kluwen vormt van vervagende schimmen die even snel uit het zicht verdwijnen als ze verschenen zijn en voor mij de illusie van geprefabriceerd geluk tentoon wordt gespreid, grijpensklaar voor wie het zich kan veroorloven. Ik kan het mij niet veroorloven. Ik ben onzichtbaar.

Wanneer alles tot zijn einde komt en de balans moet worden opgemaakt, zal ik niets kunnen zeggen om de rechters te paaien. Ik zal niet zwijgen, maar ik zal niets kunnen zeggen. Ik zal de onzin hekelen van het bestaan, de nutteloosheid van de liefde in de wetenschap dat de tijd die we krijgen om ons eraan over te geven zo beperkt is. Ik zal de absurditeit van het verlangen aanklagen en zieden over de oneerlijkheid ervan. Als ze mij vragen wat het dan is dat ik verwachtte, zal ik net dat in hun knokige gezichten teruggooien.
"Ik verwachtte te ontvangen wat ik de anderen zag krijgen," zal ik schreeuwen, "ik verwachtte behandeld te worden zoals de anderen behandeld werden. Ben ik onredelijk geweest dan? Heb ik iets gewild dat u niet zelf zou gewenst hebben, mocht u in mijn plaats geweest zijn? Ik heb nooit anders dan naar één enkel ding gestreefd, het ideaal van de volstrekte normaliteit en van de aanvaarding. Ik heb nooit roem gewild, ik ben nooit op macht of buitensporig geldgewin uitgeweest. Wat heb ik dan gedaan dat zo verkeerd was dat ik hier nu terecht sta? Wie bent u om mij nu daarvoor te veroordelen?"

Het is op dat moment dat het mij zal dagen. Het is net het ambiëren van roem, macht en rijkdom dat normaal en aanvaardbaar geworden is. Het is de zoektocht naar al het andere die men verborgen dient te houden. Wie naar de liefde zoekt, daar wordt naar gewezen en over gefluisterd dat hij niet normaal is, want de liefde krijgt toch iedereen. De rechters zullen naar mij kijken, naar de levende dode die voor hen staat zijn onschuld steeds stiller uit te krijsen en die zijn verdediging ziet afbrokkelen. Ze zullen zien dat het besef is ingezonken.
De straf voor het zoeken naar de liefde is niet dat van zodra je denkt ze gevonden te hebben, ze wordt weggekaapt door iemand die er niet naar op zoek was. Iemand die zich van geen kwaad bewust is. Iemand onschuldig. De echte straf begint dan pas. Het is de weigering om te het verlies van de liefde te accepteren, de onmogelijkheid om los te laten wat nooit van jou is. De echte straf is dat het zoeken overgaat in ijdel hopen, de geest opgesloten in een labyrinth van illusies en zelfbedrog.

"Vel uw oordeel, ik zal mij schikken. Maar neem de liefde van mij weg, dat ik niet meer moet verdragen wat ik niet bevatten kan."

Mijn grootste spijt zal zijn, mijn grootste spijt is, dat ik nooit geliefd was. Maar troost u, ik zal het niet voelen als de barstjes in het raam groter worden en het glas zonder waarschuwing plots in een fontein van scherven uit elkaar spat.

Ik ben onzichtbaar, hoe graag ik u zelf ook zie. Ik tast in het rond, maar ik voel u nergens. Mijn verstand is weg, maar ik kan enkel aan u denken.

"Neem de liefde van mij weg, en gooi mij in uw vlammen."


zondag 28 augustus 2011

Das eigentlich Charakteristische dieser Welt ist ihre Vergänglichkeit.

Het uitzicht was magnifiek. Op de top van de heuvel, aan de rand van de klif. Voor mij de maatschappij, de stad die ik zag branden. Zo eindigt de wereld. Niet met gefluister, niet met een plotse klap en daarna stilte.

Zo eindigt de wereld. Met vuur, met geschreeuw, met de geur van honderden en duizenden brandende lichamen die vergeefs naar de zwartgeblakerde hemel klauwen. De maatschappij stort in, komt traag en pijnlijk op hun hoofden terecht. Er wordt om hulp geroepen, op mensen die niet antwoorden dan met andere kreten. Er komt geen hulp. Er komt geen redding nu, nu de wereld vergaat. Enkelen roepen als dwazen om verlossing, huilend naar een God die ons al eeuwenlang verlaten heeft. Het panorama is fantastisch. Een spektakel zonder regie, een onwezenlijke dans van vlammen, lawaai en onbeschrijfbaar perfecte chaos.
Het was een moment van verheven desolaatheid, van ongrijpbare rust. Het is veel mooier om de wereld te zien vergaan, dan om hem tot stand te zien komen. Miljarden jaren evolutie, teniet gedaan in een fractie daarvan. De aarde scheurt open, en slokt zichzelf op. Zo eindigt de wereld. Een ode aan de vergankelijkheid, een weergaloos schouwspel.

De wereld eindigde en ik deed niks.

vrijdag 26 augustus 2011

Ein erstes Zeichen beginnender Erkenntnis ist der Wunsch zu sterben.

"Wat zoudt ge doen, mocht de wereld nu vergaan?"
vroeg zij.

"Niks. Wachten. Kijken."
zei ik.

"Ik zou u vasthouden en ervoor zorgen dat alle vlammen, alle puin, alle water, alle pijn op mijn lichaam terechtkomen en er niks u raakt en de wereld er nog is als uw ogen weer opengaan."
dacht ik.

"Zomaar doodgaan?"
Ze klonk verbaasd, alsof er bij het einde van de mensheid andere opties zullen zijn.

"Zomaar."
("Ik zou schreeuwen hoe graag ik u altijd gezien heb, over de spijt voor elke keer ik dat niet gezegd heb, hoe ik de vlammen, het puin, het water, de pijn niet kan voelen, zo graag dat ik u zie.")

"Wat zou er overblijven als de wereld vergaan is?"
vroeg ze.

"Onuitgevoerde plannen. Mislukte dromen. Stilte. Hetzelfde als nu."

"Jong, ge weet wat ik bedoel. Wat zou er écht overblijven?"
Ze keek er bij alsof het de belangrijkste vraag van mijn leven was.

"Beton. Gebouwen misschien. Insecten."
(Want dat had ik ooit in een film gezien.)

"Dat zou mooi zijn, eigenlijk."
Ze glimlachte.

"En lijken. Ontelbare mensenlijken."