Het wordt stil. De verdoving is uitgewerkt. De wolken trekken weg, de plassen verdampen en de weg ligt open.
Naar buiten gaan, doen we nu nog niet. Dat is voor later. Voor wanneer we zeker zijn dat het voorbij is. We kunnen al eens voorzichtig een rolluik een stukje omhoog trekken om te kunnen gluren naar de zonnestralen die voor het eerst sinds lang nog eens de grond raken. Het is een wonderlijk zicht, het licht dat door de bomen gebroken wordt en met onvoorspelbaar getekende patronen de koude bodem langzaam opwarmt. Bijna waren we het al vergeten. Het stemt hoopvol dat we het desondanks nog steeds kunnen herkennen. We voelen het misschien nog niet, maar gewoon door het te zien, kunnen we de gloed al een beetje op onze grauw geworden huid voelen. Het voelt goed aan, het voelt aan zoals vroeger. Het voelt tegelijkertijd ook als verandering. Binnenkort is er weer leven, is er weer geluid, is er weer warmte. Binnenkort is heel dichtbij nu.
We zullen de wereld opnieuw zien. We zullen ons opnieuw aan de wereld tonen. We zullen de kans grijpen om te bewijzen dat we ondanks alles nog bestaan. Dat we niet veel verschillen ten opzichte van vroeger. Dat we betere personen zijn, nu. We kijken anders naar de wereld. We kijken anders naar elkaar. Anders keken we niet eens naar elkaar. Toch niet zoals we nu doen. We zijn weer zichtbaar.
Wanneer we buitenkomen, weten we nog niet. Maar de wolken zijn verdwenen en de weg ligt open.
maandag 12 september 2011
zondag 4 september 2011
I can see what the eyes cannot see. I can hear what the ears cannot hear. I can feel what the heart cannot feel.
Het kan ook anders, het kan ook mooier. We kunnen ook vergeten wie we geworden zijn, doen alsof we elkaar nog niet ontmoet hebben, en dan zal de volgende keer dat ik je zie de eerste zijn.
We zouden naar buiten gaan, elkaar tegenkomen onder de boom in het park waar we toevallig allebei onder moeten schuilen omdat het plots hevig is beginnen regenen. Die boom zal er nog wel staan, denk ik. Sommige dingen zijn niet kapot te krijgen. Misschien moet je dringend op een afspraak zijn maar heb je geen paraplu bij, zodat ik je de mijne geef en je belooft om 'm terug te bezorgen. Het zal een goedkoop flutdingetje zijn, maar ik zal elk excuus om verder contact te verzekeren aangrijpen en je mijn adres en voor de zekerheid ook telefoonnummer geven. Hopelijk ben je dan aangenaam verrast dat we eigenlijk helemaal niet ver van elkaar wonen. Toch gek dat je me dan nooit eerder bent opgevallen.
Of je moet helemaal nergens zijn, misschien wandelde je gewoon net als ik zonder doel rond. De mogelijkheid bieden tot doelloos rondwandelen is nu eenmaal de voornaamste functie van een park. Dat heeft me altijd hoopvol gestemd, dat er ondanks alle jachtigheid en prestatiedrang in de maatschappij steeds een plek bewaard is gebleven voor wie, al is het maar even, de nood tot dwalen voelt. Een wereld waarin dat gevrijwaard kan blijven, hoewel doelloosheid eenmaal buiten de grenzen van datzelfde park genadeloos wordt afgestraft, die kan dan toch zo slecht nog niet zijn. Ik was mis, natuurlijk, maar dat weet ik dan nog niet. Op het moment dat het stopt met regenen en ik met alle moed die ik heb weten te verzamelen, vraag of je zin hebt om een koffie te gaan drinken om terug op te warmen. Hopelijk lust je koffie. Anders is thee ook goed hoor, het is per slot van rekening maar een excuus. Als je dan ja zegt, besef ik dat ik helemaal niet zomaar aan het slenteren was. Ik wist alleen nog niet wat mijn doel was.
De eerste keer dat ik je ontmoet, zal alles helemaal anders zijn en oneindig veel mooier.
Abonneren op:
Posts (Atom)