De nacht, daar spreken we niet van. De nacht begint nu waar vroeger de vooravond zich aanbood. Het is al donker nog voor de afwas gedaan is, zeg nu zelf, dat is geen nacht.
Het ging lukken deze keer. Er gingen mensen zijn die ik niet ken, dat wel, maar ook mensen die ik wel ken. Genoeg om ervoor te zorgen dat ik zou gaan. Dus ik ging. Ik keek er zelfs naar uit.
Er is geen nacht meer, maar er is ook geen echte dag meer. De zon hangt te laag zodat ze pijn doet aan de ogen wanneer je niet naar beneden kijkt. Dus kijkt iedereen naar beneden en ziet niemand nog dat het dag is.
Ik zou zijn zoals normale mensen zijn. Ik zou een cadeautje kopen voor de gastheer, of toch minstens bijdragen tot, en ik zou m'n mooiste hemd uitzoeken en het snel nog even strijken vooraleer het aan te trekken. Ik deed alles zoals het hoorde. Ik deed alsof.
De mensen gedragen zich anders nu er geen nacht meer is. Schichtiger, lijkt het. De gewoonte om wanneer het nacht wordt dronken te zijn en het collectieve bewustzijn te laten primeren op de rede, raakt verstrooid. Het instinct verward, de geijkte patronen overstuur, stuwen ze de uren in een losbandige stroomversnelling. De muziek moet luider, er moet gedanst, er moet gedronken, geroepen, gedronken, gedanst, vergeten, geroepen, gedronken, geleefd (gelééfd?), gevreeën, niet gevreeën: geneukt, worden. En die muziek moet luider. Luider, luider, luider.
Ik deed alsof en deed dat wonderwel. Ik zat in m'n mooiste hemd en schreef m'n naam bij op het cadeautje zodat geweten was dat ook dit uit mijn hart kon komen. Ik dronk wat, praatte even. "Kijk, de mensen lachen, zelfs die paar die je niet kent." En klapte dan dicht toen het doen alsof op was en ik niets meer had. Het feest ging verder, dat zag ik gebeuren. Ik stond aan de rand van het feest. Er werd geleefd terwijl ik niet bestond. Ik greep een flauw excuus om weg te geraken, om te ontsnappen uit de gevangenis van mijn hoofd. Twee uur heb ik het volgehouden. Toen ik weer thuiskwam, kreeg ik een angstaanval als welkomstcadeau. En de dag erop weer. En weer. Tot ik me niet meer kon bewegen. Tot ik niet meer wou denken. Het doen alsof is op. Het spijt mij.
En zet die godverdomse muziek nu toch eens gewoon óp, man.
maandag 7 november 2011
woensdag 12 oktober 2011
Ik ben geen schrijver, lief.
Ik ben geen schrijver, lief. Ik ben geen schrijver. Ik ben een charlatan, een raddraaier. Het idee was er, het idee is er altijd. Ik zou een doorlopend narratief spinnen rond een intrigerende thematiek. De sluier zou af en toe opwaaien, maar nooit helemaal onthullen wat zich eronder bevindt. Twee personages zouden volstaan. Ze volstonden niet. Ik had het moeten weten, lief, want ik ben geen schrijver. Ik ben een oplichter. Niet van anderen, maar van mezelf. Het narratief is ten einde, onopgelost en open. Niet omdat ik het zo wil, omdat ik het niet anders kan. Ik ben geen schrijver. Ik ben geen verteller. Ik ben een omslager van bladzijdes die even snel weer vergeten is wat er op de vorige stond. Dat is mijn leven, mijn wezen, lief. En al is het verhaal begraven, je weet dat ik niet zonder kan. Uiteindelijk zal ik toch weer zwichten voor de lokroep van de breed uitgesponnen dramatiek.
Dit alles om te zeggen dat de wereld nog bestaat met mij erin. De fictie zal wijken voor het leven. Voor mijn leven, misschien voor dat van u.
Op 17 mei laatstleden scheen de zon. Het was hoogzomer, al een hele maand. Er zijn geen seizoenen meer. Op 17 mei laatstleden lag mijn moeder in het ziekenhuis. Al een hele maand. 17 mei was een dinsdag. Op 16 mei was ik aan het werk. Mijn moeder lag in het ziekenhuis en ze was erg ziek, maar ze zou genezen want dat doen zieke moeders. Moeders genezen en verlaten het ziekenhuis zoals ze al zo vaak gedaan hebben en als ze weer thuis zijn, ga je ze bezoeken en eet je taart en niemand praat nog over het ziekenhuis. Op 16 mei kwam ik thuis van het werk en vroeg mijn vader of ik morgen een dagje vrij kon nemen. Er waren zaken te bespreken, dingen te regelen en we moesten naar het ziekenhuis. Ik wist wel waarom, ik geloofde het gewoon niet. In de nacht van 16 mei op 17 mei sliep ik vaster dan elke voorgaande nacht. Want wat er zou komen, kwam er immers toch nooit. We zouden haar gaan afhalen, we zouden haar terug naar huis brengen en het leven zou weer worden zoals het nooit geweest was.
In de auto, op weg naar het ziekenhuis, werd er niet gesproken. Er was van heel de dag al amper iets gezegd. We communiceerden met knikjes en blikken waarmee we vooral onszelf gerust trachtten te stellen. In het ziekenhuis werd er niet gesproken, toch niet door ons. Niet door mij. Mijn moeder lag niet in het bed waar ze al weken niet meer was uitgeweest. Ze zat in de zetel naast het bed, en de zon scheen op haar gezicht en ik zag dat ze het voor het eerst in lange tijd nog eens warm had. Ik was zo blij dat ze het nog eens warm had. De vrouw die naast haar zat, kende ik niet. Toen ze begon te vertellen dat mijn moeder beslist had om uit het leven te stappen, hoorde ik het niet. Ik zag alleen mijn moeder zitten, in de zon. Toen we binnenkwamen, glimlachte ze naar ons zoals ze altijd deed wanneer we binnenkwamen. Haar glimlach was weg nu. Nu waren er tranen en woorden die niet uitgesproken raakten. Een jonge kinesist klopte plots op de deur en vroeg of er gewandeld ging worden. "Vandaag niet", zei moeder, "vandaag niet."
Er is een gat van enkele uren in mijn hoofd. Wat er gebeurd is tussen het moment waarop de mevrouw die ik niet kende begon te spreken en een andere mevrouw die ik ook niet kende het kraantje aan het infuus opendraaide, heb ik van horen zeggen. Hoe er roepen bij was, roepen en vloeken en wenen naar de hemel. Hoe er werd weggelopen, weer teruggehaald, ingestort, weer bijgebracht. Toen de oplossing zich met haar bloed vermengde, hield ik de handen van mijn moeder vast. Het waren de zachtste handen die ik ooit heb aangeraakt, al had ik ze daarvoor al zoveel vastgehouden. Het duurde niet lang voor ze in slaap viel.
Op 22 mei laatsleden scheen de zon. De zomer was minder hoog dan een paar dagen voordien, maar het was nog steeds te warm voor de tijd van het jaar. Er zijn geen seizoenen meer. Op 22 mei, om half twee 's nachts, kwam mijn vader thuis van het ziekenhuis. Ik wou doen alsof ik het niet gehoord had. Ik wou het niet horen. Ik stond op en zag hem staan. Een man die niet meer wist waar hij in zijn eigen huis naartoe kon. "Ze is weg." zei hij.
Op 27 mei laatstleden scheen de zon na een week van regen en wind. Het was geen zomer meer. Het was een dag voor afscheid. Afscheid van mijn moeder, maar ook afscheid van mensen die op dat moment beloven om contact te houden maar van wie je weet dat je ze nooit meer zal zien. Ik heb geen enkele van die mensen sindsdien nog gezien.
Ik ben geen schrijver, lief. Ik sla louter bladzijden om. Bladzijden in een boek dat nietig is in de bibliotheek waar het in bewaard wordt. Er zijn zoveel zaken die het gemis van een enkeling overstijgen. Er is overal honger en er is nergens vrede. Maar mijn moeder is dood, ik ken geen honger. Mijn moeder is dood, ik wil geen vrede. Ik wil alles zeggen wat ik dacht gezegd te hebben. Ik wil alles herhalen en de slechte stukken weglaten. Ik heb nog zoveel te zeggen, zoveel te tonen. Iedereen wil ik je voorstellen, alle mensen die ik heb leren kennen sinds je weg bent. Ik heb zoveel mensen leren kennen, zoveel dingen gedaan. Ik heb gelachen sinds je weg bent, en elke keer voelde ik me schuldig.
Ik wil alles, alles, alles herhalen. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag.
Dit alles om te zeggen dat de wereld nog bestaat met mij erin. De fictie zal wijken voor het leven. Voor mijn leven, misschien voor dat van u.
Op 17 mei laatstleden scheen de zon. Het was hoogzomer, al een hele maand. Er zijn geen seizoenen meer. Op 17 mei laatstleden lag mijn moeder in het ziekenhuis. Al een hele maand. 17 mei was een dinsdag. Op 16 mei was ik aan het werk. Mijn moeder lag in het ziekenhuis en ze was erg ziek, maar ze zou genezen want dat doen zieke moeders. Moeders genezen en verlaten het ziekenhuis zoals ze al zo vaak gedaan hebben en als ze weer thuis zijn, ga je ze bezoeken en eet je taart en niemand praat nog over het ziekenhuis. Op 16 mei kwam ik thuis van het werk en vroeg mijn vader of ik morgen een dagje vrij kon nemen. Er waren zaken te bespreken, dingen te regelen en we moesten naar het ziekenhuis. Ik wist wel waarom, ik geloofde het gewoon niet. In de nacht van 16 mei op 17 mei sliep ik vaster dan elke voorgaande nacht. Want wat er zou komen, kwam er immers toch nooit. We zouden haar gaan afhalen, we zouden haar terug naar huis brengen en het leven zou weer worden zoals het nooit geweest was.
In de auto, op weg naar het ziekenhuis, werd er niet gesproken. Er was van heel de dag al amper iets gezegd. We communiceerden met knikjes en blikken waarmee we vooral onszelf gerust trachtten te stellen. In het ziekenhuis werd er niet gesproken, toch niet door ons. Niet door mij. Mijn moeder lag niet in het bed waar ze al weken niet meer was uitgeweest. Ze zat in de zetel naast het bed, en de zon scheen op haar gezicht en ik zag dat ze het voor het eerst in lange tijd nog eens warm had. Ik was zo blij dat ze het nog eens warm had. De vrouw die naast haar zat, kende ik niet. Toen ze begon te vertellen dat mijn moeder beslist had om uit het leven te stappen, hoorde ik het niet. Ik zag alleen mijn moeder zitten, in de zon. Toen we binnenkwamen, glimlachte ze naar ons zoals ze altijd deed wanneer we binnenkwamen. Haar glimlach was weg nu. Nu waren er tranen en woorden die niet uitgesproken raakten. Een jonge kinesist klopte plots op de deur en vroeg of er gewandeld ging worden. "Vandaag niet", zei moeder, "vandaag niet."
Er is een gat van enkele uren in mijn hoofd. Wat er gebeurd is tussen het moment waarop de mevrouw die ik niet kende begon te spreken en een andere mevrouw die ik ook niet kende het kraantje aan het infuus opendraaide, heb ik van horen zeggen. Hoe er roepen bij was, roepen en vloeken en wenen naar de hemel. Hoe er werd weggelopen, weer teruggehaald, ingestort, weer bijgebracht. Toen de oplossing zich met haar bloed vermengde, hield ik de handen van mijn moeder vast. Het waren de zachtste handen die ik ooit heb aangeraakt, al had ik ze daarvoor al zoveel vastgehouden. Het duurde niet lang voor ze in slaap viel.
Op 22 mei laatsleden scheen de zon. De zomer was minder hoog dan een paar dagen voordien, maar het was nog steeds te warm voor de tijd van het jaar. Er zijn geen seizoenen meer. Op 22 mei, om half twee 's nachts, kwam mijn vader thuis van het ziekenhuis. Ik wou doen alsof ik het niet gehoord had. Ik wou het niet horen. Ik stond op en zag hem staan. Een man die niet meer wist waar hij in zijn eigen huis naartoe kon. "Ze is weg." zei hij.
Op 27 mei laatstleden scheen de zon na een week van regen en wind. Het was geen zomer meer. Het was een dag voor afscheid. Afscheid van mijn moeder, maar ook afscheid van mensen die op dat moment beloven om contact te houden maar van wie je weet dat je ze nooit meer zal zien. Ik heb geen enkele van die mensen sindsdien nog gezien.
Ik ben geen schrijver, lief. Ik sla louter bladzijden om. Bladzijden in een boek dat nietig is in de bibliotheek waar het in bewaard wordt. Er zijn zoveel zaken die het gemis van een enkeling overstijgen. Er is overal honger en er is nergens vrede. Maar mijn moeder is dood, ik ken geen honger. Mijn moeder is dood, ik wil geen vrede. Ik wil alles zeggen wat ik dacht gezegd te hebben. Ik wil alles herhalen en de slechte stukken weglaten. Ik heb nog zoveel te zeggen, zoveel te tonen. Iedereen wil ik je voorstellen, alle mensen die ik heb leren kennen sinds je weg bent. Ik heb zoveel mensen leren kennen, zoveel dingen gedaan. Ik heb gelachen sinds je weg bent, en elke keer voelde ik me schuldig.
Ik wil alles, alles, alles herhalen. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag.
maandag 12 september 2011
Le seul véritable voyage n'est pas d'aller vers d'autres paysages, mais d'avoir d'autres yeux.
Het wordt stil. De verdoving is uitgewerkt. De wolken trekken weg, de plassen verdampen en de weg ligt open.
Naar buiten gaan, doen we nu nog niet. Dat is voor later. Voor wanneer we zeker zijn dat het voorbij is. We kunnen al eens voorzichtig een rolluik een stukje omhoog trekken om te kunnen gluren naar de zonnestralen die voor het eerst sinds lang nog eens de grond raken. Het is een wonderlijk zicht, het licht dat door de bomen gebroken wordt en met onvoorspelbaar getekende patronen de koude bodem langzaam opwarmt. Bijna waren we het al vergeten. Het stemt hoopvol dat we het desondanks nog steeds kunnen herkennen. We voelen het misschien nog niet, maar gewoon door het te zien, kunnen we de gloed al een beetje op onze grauw geworden huid voelen. Het voelt goed aan, het voelt aan zoals vroeger. Het voelt tegelijkertijd ook als verandering. Binnenkort is er weer leven, is er weer geluid, is er weer warmte. Binnenkort is heel dichtbij nu.
We zullen de wereld opnieuw zien. We zullen ons opnieuw aan de wereld tonen. We zullen de kans grijpen om te bewijzen dat we ondanks alles nog bestaan. Dat we niet veel verschillen ten opzichte van vroeger. Dat we betere personen zijn, nu. We kijken anders naar de wereld. We kijken anders naar elkaar. Anders keken we niet eens naar elkaar. Toch niet zoals we nu doen. We zijn weer zichtbaar.
Wanneer we buitenkomen, weten we nog niet. Maar de wolken zijn verdwenen en de weg ligt open.
Naar buiten gaan, doen we nu nog niet. Dat is voor later. Voor wanneer we zeker zijn dat het voorbij is. We kunnen al eens voorzichtig een rolluik een stukje omhoog trekken om te kunnen gluren naar de zonnestralen die voor het eerst sinds lang nog eens de grond raken. Het is een wonderlijk zicht, het licht dat door de bomen gebroken wordt en met onvoorspelbaar getekende patronen de koude bodem langzaam opwarmt. Bijna waren we het al vergeten. Het stemt hoopvol dat we het desondanks nog steeds kunnen herkennen. We voelen het misschien nog niet, maar gewoon door het te zien, kunnen we de gloed al een beetje op onze grauw geworden huid voelen. Het voelt goed aan, het voelt aan zoals vroeger. Het voelt tegelijkertijd ook als verandering. Binnenkort is er weer leven, is er weer geluid, is er weer warmte. Binnenkort is heel dichtbij nu.
We zullen de wereld opnieuw zien. We zullen ons opnieuw aan de wereld tonen. We zullen de kans grijpen om te bewijzen dat we ondanks alles nog bestaan. Dat we niet veel verschillen ten opzichte van vroeger. Dat we betere personen zijn, nu. We kijken anders naar de wereld. We kijken anders naar elkaar. Anders keken we niet eens naar elkaar. Toch niet zoals we nu doen. We zijn weer zichtbaar.
Wanneer we buitenkomen, weten we nog niet. Maar de wolken zijn verdwenen en de weg ligt open.
zondag 4 september 2011
I can see what the eyes cannot see. I can hear what the ears cannot hear. I can feel what the heart cannot feel.
Het kan ook anders, het kan ook mooier. We kunnen ook vergeten wie we geworden zijn, doen alsof we elkaar nog niet ontmoet hebben, en dan zal de volgende keer dat ik je zie de eerste zijn.
We zouden naar buiten gaan, elkaar tegenkomen onder de boom in het park waar we toevallig allebei onder moeten schuilen omdat het plots hevig is beginnen regenen. Die boom zal er nog wel staan, denk ik. Sommige dingen zijn niet kapot te krijgen. Misschien moet je dringend op een afspraak zijn maar heb je geen paraplu bij, zodat ik je de mijne geef en je belooft om 'm terug te bezorgen. Het zal een goedkoop flutdingetje zijn, maar ik zal elk excuus om verder contact te verzekeren aangrijpen en je mijn adres en voor de zekerheid ook telefoonnummer geven. Hopelijk ben je dan aangenaam verrast dat we eigenlijk helemaal niet ver van elkaar wonen. Toch gek dat je me dan nooit eerder bent opgevallen.
Of je moet helemaal nergens zijn, misschien wandelde je gewoon net als ik zonder doel rond. De mogelijkheid bieden tot doelloos rondwandelen is nu eenmaal de voornaamste functie van een park. Dat heeft me altijd hoopvol gestemd, dat er ondanks alle jachtigheid en prestatiedrang in de maatschappij steeds een plek bewaard is gebleven voor wie, al is het maar even, de nood tot dwalen voelt. Een wereld waarin dat gevrijwaard kan blijven, hoewel doelloosheid eenmaal buiten de grenzen van datzelfde park genadeloos wordt afgestraft, die kan dan toch zo slecht nog niet zijn. Ik was mis, natuurlijk, maar dat weet ik dan nog niet. Op het moment dat het stopt met regenen en ik met alle moed die ik heb weten te verzamelen, vraag of je zin hebt om een koffie te gaan drinken om terug op te warmen. Hopelijk lust je koffie. Anders is thee ook goed hoor, het is per slot van rekening maar een excuus. Als je dan ja zegt, besef ik dat ik helemaal niet zomaar aan het slenteren was. Ik wist alleen nog niet wat mijn doel was.
De eerste keer dat ik je ontmoet, zal alles helemaal anders zijn en oneindig veel mooier.
dinsdag 30 augustus 2011
Il y a l'amour. Et puis il y a la vie, son ennemie.
Mijn grootste spijt zal zijn, mijn grootste spijt is, dat ik nooit geleefd heb.
Ik ben een reflectie in een raam, stilstaand op een tweedimensioneel vlak terwijl achter mij de echte wereld een kluwen vormt van vervagende schimmen die even snel uit het zicht verdwijnen als ze verschenen zijn en voor mij de illusie van geprefabriceerd geluk tentoon wordt gespreid, grijpensklaar voor wie het zich kan veroorloven. Ik kan het mij niet veroorloven. Ik ben onzichtbaar.
Wanneer alles tot zijn einde komt en de balans moet worden opgemaakt, zal ik niets kunnen zeggen om de rechters te paaien. Ik zal niet zwijgen, maar ik zal niets kunnen zeggen. Ik zal de onzin hekelen van het bestaan, de nutteloosheid van de liefde in de wetenschap dat de tijd die we krijgen om ons eraan over te geven zo beperkt is. Ik zal de absurditeit van het verlangen aanklagen en zieden over de oneerlijkheid ervan. Als ze mij vragen wat het dan is dat ik verwachtte, zal ik net dat in hun knokige gezichten teruggooien.
"Ik verwachtte te ontvangen wat ik de anderen zag krijgen," zal ik schreeuwen, "ik verwachtte behandeld te worden zoals de anderen behandeld werden. Ben ik onredelijk geweest dan? Heb ik iets gewild dat u niet zelf zou gewenst hebben, mocht u in mijn plaats geweest zijn? Ik heb nooit anders dan naar één enkel ding gestreefd, het ideaal van de volstrekte normaliteit en van de aanvaarding. Ik heb nooit roem gewild, ik ben nooit op macht of buitensporig geldgewin uitgeweest. Wat heb ik dan gedaan dat zo verkeerd was dat ik hier nu terecht sta? Wie bent u om mij nu daarvoor te veroordelen?"
Het is op dat moment dat het mij zal dagen. Het is net het ambiëren van roem, macht en rijkdom dat normaal en aanvaardbaar geworden is. Het is de zoektocht naar al het andere die men verborgen dient te houden. Wie naar de liefde zoekt, daar wordt naar gewezen en over gefluisterd dat hij niet normaal is, want de liefde krijgt toch iedereen. De rechters zullen naar mij kijken, naar de levende dode die voor hen staat zijn onschuld steeds stiller uit te krijsen en die zijn verdediging ziet afbrokkelen. Ze zullen zien dat het besef is ingezonken.
De straf voor het zoeken naar de liefde is niet dat van zodra je denkt ze gevonden te hebben, ze wordt weggekaapt door iemand die er niet naar op zoek was. Iemand die zich van geen kwaad bewust is. Iemand onschuldig. De echte straf begint dan pas. Het is de weigering om te het verlies van de liefde te accepteren, de onmogelijkheid om los te laten wat nooit van jou is. De echte straf is dat het zoeken overgaat in ijdel hopen, de geest opgesloten in een labyrinth van illusies en zelfbedrog.
"Vel uw oordeel, ik zal mij schikken. Maar neem de liefde van mij weg, dat ik niet meer moet verdragen wat ik niet bevatten kan."
Mijn grootste spijt zal zijn, mijn grootste spijt is, dat ik nooit geliefd was. Maar troost u, ik zal het niet voelen als de barstjes in het raam groter worden en het glas zonder waarschuwing plots in een fontein van scherven uit elkaar spat.
Ik ben onzichtbaar, hoe graag ik u zelf ook zie. Ik tast in het rond, maar ik voel u nergens. Mijn verstand is weg, maar ik kan enkel aan u denken.
"Neem de liefde van mij weg, en gooi mij in uw vlammen."
zondag 28 augustus 2011
Das eigentlich Charakteristische dieser Welt ist ihre Vergänglichkeit.
Het uitzicht was magnifiek. Op de top van de heuvel, aan de rand van de klif. Voor mij de maatschappij, de stad die ik zag branden. Zo eindigt de wereld. Niet met gefluister, niet met een plotse klap en daarna stilte.
Zo eindigt de wereld. Met vuur, met geschreeuw, met de geur van honderden en duizenden brandende lichamen die vergeefs naar de zwartgeblakerde hemel klauwen. De maatschappij stort in, komt traag en pijnlijk op hun hoofden terecht. Er wordt om hulp geroepen, op mensen die niet antwoorden dan met andere kreten. Er komt geen hulp. Er komt geen redding nu, nu de wereld vergaat. Enkelen roepen als dwazen om verlossing, huilend naar een God die ons al eeuwenlang verlaten heeft. Het panorama is fantastisch. Een spektakel zonder regie, een onwezenlijke dans van vlammen, lawaai en onbeschrijfbaar perfecte chaos.
Zo eindigt de wereld. Met vuur, met geschreeuw, met de geur van honderden en duizenden brandende lichamen die vergeefs naar de zwartgeblakerde hemel klauwen. De maatschappij stort in, komt traag en pijnlijk op hun hoofden terecht. Er wordt om hulp geroepen, op mensen die niet antwoorden dan met andere kreten. Er komt geen hulp. Er komt geen redding nu, nu de wereld vergaat. Enkelen roepen als dwazen om verlossing, huilend naar een God die ons al eeuwenlang verlaten heeft. Het panorama is fantastisch. Een spektakel zonder regie, een onwezenlijke dans van vlammen, lawaai en onbeschrijfbaar perfecte chaos.
Het was een moment van verheven desolaatheid, van ongrijpbare rust. Het is veel mooier om de wereld te zien vergaan, dan om hem tot stand te zien komen. Miljarden jaren evolutie, teniet gedaan in een fractie daarvan. De aarde scheurt open, en slokt zichzelf op. Zo eindigt de wereld. Een ode aan de vergankelijkheid, een weergaloos schouwspel.
De wereld eindigde en ik deed niks.
De wereld eindigde en ik deed niks.
vrijdag 26 augustus 2011
Ein erstes Zeichen beginnender Erkenntnis ist der Wunsch zu sterben.
"Wat zoudt ge doen, mocht de wereld nu vergaan?"
vroeg zij.
"Niks. Wachten. Kijken."
zei ik.
"Ik zou u vasthouden en ervoor zorgen dat alle vlammen, alle puin, alle water, alle pijn op mijn lichaam terechtkomen en er niks u raakt en de wereld er nog is als uw ogen weer opengaan."
dacht ik.
"Zomaar doodgaan?"
Ze klonk verbaasd, alsof er bij het einde van de mensheid andere opties zullen zijn.
"Zomaar."
("Ik zou schreeuwen hoe graag ik u altijd gezien heb, over de spijt voor elke keer ik dat niet gezegd heb, hoe ik de vlammen, het puin, het water, de pijn niet kan voelen, zo graag dat ik u zie.")
("Ik zou schreeuwen hoe graag ik u altijd gezien heb, over de spijt voor elke keer ik dat niet gezegd heb, hoe ik de vlammen, het puin, het water, de pijn niet kan voelen, zo graag dat ik u zie.")
"Wat zou er overblijven als de wereld vergaan is?"
vroeg ze.
"Onuitgevoerde plannen. Mislukte dromen. Stilte. Hetzelfde als nu."
"Jong, ge weet wat ik bedoel. Wat zou er écht overblijven?"
Ze keek er bij alsof het de belangrijkste vraag van mijn leven was.
"Beton. Gebouwen misschien. Insecten."
(Want dat had ik ooit in een film gezien.)
"Dat zou mooi zijn, eigenlijk."
Ze glimlachte.
"En lijken. Ontelbare mensenlijken."
Abonneren op:
Posts (Atom)