woensdag 12 oktober 2011

Ik ben geen schrijver, lief.

Ik ben geen schrijver, lief. Ik ben geen schrijver. Ik ben een charlatan, een raddraaier. Het idee was er, het idee is er altijd. Ik zou een doorlopend narratief spinnen rond een intrigerende thematiek. De sluier zou af en toe opwaaien, maar nooit helemaal onthullen wat zich eronder bevindt. Twee personages zouden volstaan. Ze volstonden niet. Ik had het moeten weten, lief, want ik ben geen schrijver. Ik ben een oplichter. Niet van anderen, maar van mezelf. Het narratief is ten einde, onopgelost en open. Niet omdat ik het zo wil, omdat ik het niet anders kan. Ik ben geen schrijver. Ik ben geen verteller. Ik ben een omslager van bladzijdes die even snel weer vergeten is wat er op de vorige stond. Dat is mijn leven, mijn wezen, lief. En al is het verhaal begraven, je weet dat ik niet zonder kan. Uiteindelijk zal ik toch weer zwichten voor de lokroep van de breed uitgesponnen dramatiek.

Dit alles om te zeggen dat de wereld nog bestaat met mij erin. De fictie zal wijken voor het leven. Voor mijn leven, misschien voor dat van u.

Op 17 mei laatstleden scheen de zon. Het was hoogzomer, al een hele maand. Er zijn geen seizoenen meer. Op 17 mei laatstleden lag mijn moeder in het ziekenhuis. Al een hele maand. 17 mei was een dinsdag. Op 16 mei was ik aan het werk. Mijn moeder lag in het ziekenhuis en ze was erg ziek, maar ze zou genezen want dat doen zieke moeders. Moeders genezen en verlaten het ziekenhuis zoals ze al zo vaak gedaan hebben en als ze weer thuis zijn, ga je ze bezoeken en eet je taart en niemand praat nog over het ziekenhuis. Op 16 mei kwam ik thuis van het werk en vroeg mijn vader of ik morgen een dagje vrij kon nemen. Er waren zaken te bespreken, dingen te regelen en we moesten naar het ziekenhuis. Ik wist wel waarom, ik geloofde het gewoon niet. In de nacht van 16 mei op 17 mei sliep ik vaster dan elke voorgaande nacht. Want wat er zou komen, kwam er immers toch nooit. We zouden haar gaan afhalen, we zouden haar terug naar huis brengen en het leven zou weer worden zoals het nooit geweest was.

In de auto, op weg naar het ziekenhuis, werd er niet gesproken. Er was van heel de dag al amper iets gezegd. We communiceerden met knikjes en blikken waarmee we vooral onszelf gerust trachtten te stellen. In het ziekenhuis werd er niet gesproken, toch niet door ons. Niet door mij. Mijn moeder lag niet in het bed waar ze al weken niet meer was uitgeweest. Ze zat in de zetel naast het bed, en de zon scheen op haar gezicht en ik zag dat ze het voor het eerst in lange tijd nog eens warm had. Ik was zo blij dat ze het nog eens warm had. De vrouw die naast haar zat, kende ik niet. Toen ze begon te vertellen dat mijn moeder beslist had om uit het leven te stappen, hoorde ik het niet. Ik zag alleen mijn moeder zitten, in de zon. Toen we binnenkwamen, glimlachte ze naar ons zoals ze altijd deed wanneer we binnenkwamen. Haar glimlach was weg nu. Nu waren er tranen en woorden die niet uitgesproken raakten. Een jonge kinesist klopte plots op de deur en vroeg of er gewandeld ging worden. "Vandaag niet", zei moeder, "vandaag niet."

Er is een gat van enkele uren in mijn hoofd. Wat er gebeurd is tussen het moment waarop de mevrouw die ik niet kende begon te spreken en een andere mevrouw die ik ook niet kende het kraantje aan het infuus opendraaide, heb ik van horen zeggen. Hoe er roepen bij was, roepen en vloeken en wenen naar de hemel. Hoe er werd weggelopen, weer teruggehaald, ingestort, weer bijgebracht. Toen de oplossing zich met haar bloed vermengde, hield ik de handen van mijn moeder vast. Het waren de zachtste handen die ik ooit heb aangeraakt, al had ik ze daarvoor al zoveel vastgehouden. Het duurde niet lang voor ze in slaap viel.

Op 22 mei laatsleden scheen de zon. De zomer was minder hoog dan een paar dagen voordien, maar het was nog steeds te warm voor de tijd van het jaar. Er zijn geen seizoenen meer. Op 22 mei, om half twee 's nachts, kwam mijn vader thuis van het ziekenhuis. Ik wou doen alsof ik het niet gehoord had. Ik wou het niet horen. Ik stond op en zag hem staan. Een man die niet meer wist waar hij in zijn eigen huis naartoe kon. "Ze is weg." zei hij.

Op 27 mei laatstleden scheen de zon na een week van regen en wind. Het was geen zomer meer. Het was een dag voor afscheid. Afscheid van mijn moeder, maar ook afscheid van mensen die op dat moment beloven om contact te houden maar van wie je weet dat je ze nooit meer zal zien. Ik heb geen enkele van die mensen sindsdien nog gezien.

Ik ben geen schrijver, lief. Ik sla louter bladzijden om. Bladzijden in een boek dat nietig is in de bibliotheek waar het in bewaard wordt. Er zijn zoveel zaken die het gemis van een enkeling overstijgen. Er is overal honger en er is nergens vrede. Maar mijn moeder is dood, ik ken geen honger. Mijn moeder is dood, ik wil geen vrede. Ik wil alles zeggen wat ik dacht gezegd te hebben. Ik wil alles herhalen en de slechte stukken weglaten. Ik heb nog zoveel te zeggen, zoveel te tonen. Iedereen wil ik je voorstellen, alle mensen die ik heb leren kennen sinds je weg bent. Ik heb zoveel mensen leren kennen, zoveel dingen gedaan. Ik heb gelachen sinds je weg bent, en elke keer voelde ik me schuldig.

Ik wil alles, alles, alles herhalen. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag. Ik zie u graag.

1 opmerking:

  1. Michel
    Ik begrijp zo wat je zegt. Elke dag is een dag zonder hem maar ook niet want denk ik aan hem. Elke dag, elk uur en hoop dat morgen de mooie herinneringen terugkomen en niet die van het afscheid.

    BeantwoordenVerwijderen